1 Hersencel

Ik heb geen ervaring met verkopen. Sterker nog, ik vind verkopen eigenlijk een beetje nare bezigheid – manipulerend, niet integer.

Ik snap ook weinig van boeren. Wie levert er nu vrijwillig zijn vrijheid in om elke ochtend idioot vroeg te moeten opstaan om de koeien te melken?

En ik kom van een vakbond met veel vrouwelijke collega’s en een paar politiek correcte mannen.

Toch word ik in 1996 trainer bij DLV adviesgroep, de oude Landbouwvoorlichting. Medewerkers: heel veel mannen, overwegend boerenzonen. Mijn taak: verkooptrainingen geven. Hun humor: ‘Wat is het verschil tussen een vrouw en een koe? 1 hersencel. Waarom? Anders schijt ze de hele keuken onder!’ Hahaha …

Waarom ik ga werken bij een club die zo ver van me afstaat? Omdat ik na 4 jaar vakbondsleden trainen sceptisch geworden ben over het effect van trainingen. Mijn oom adviseert me om te gaan werken als interne trainer, zodat ik kan ervaren welke impact trainingen hebben op een organisatie en hoe ik daarin kan samenwerken met het management. In dat opzicht biedt DLV adviesgroep me een buitenkans: de organisatie verandert net van overheidsinstelling in een zelfstandig bedrijf en trainingen zijn daarbij cruciaal. Nieuwe medewerkers krijgen verplicht een traject van 10 dagen verkooptraining en ook in de ervaren medewerkers en het management wordt veel geïnvesteerd.

Voor trainers is dit dus een topbedrijf! En ondanks het gat in mijn panty, mijn politieke vakbondscorrectheid en mijn volledige gebrek aan verkoopervaring word ik aangenomen. Het wordt de op één na leukste baan van mijn leven. Want ik krijg de klik – met het verkopen, met het boerenleven en met de mannen.

De klik met het verkopen, komt het eerst. Ik begrijp al snel dat verkopen in wezen niets anders is dan heel goed luisteren en klanten zo goed mogelijk geven wat ze nodig hebben. Niks manipulatie, gewoon communicatie. Het is geweldig om die mannen te leren hoe ze open vragen kunnen stellen en zich niet hoeven te generen voor hun prijs.

De klik met het boerenleven volgt snel. Als deel van mijn inwerkperiode ga ik mee op pad met een adviseur en zit ik aan tafel bij een rundveebedrijf. De boer heeft het zwaar: het is zeer de vraag of hij zijn bedrijf rendabel kan krijgen. Boer en boerin zitten met tranen in de ogen, buiten rijdt de 11-jarige zoon op de trekker voorbij. ‘Moet je nou kijken’ zegt de boer, ‘dat is toch vrijheid! Waar heb je dat nou?’ Pats, ik snap hem. Voor deze boer wil ik gaan! Ik wil dat hij een zo goed mogelijk advies krijgt en daar kan ik voor zorgen door onze adviseurs zo goed mogelijk te trainen.

Uiteindelijk komt het ook goed met de mannen. Tijdens het eerste jaar verzamel ik mannengrappen die ik ‘s avonds aan de bar vertel na de 15 verplichte vrouwenmoppen. Eentje weet ik er nog: ‘Heeft een man een lichaamsdeel dat 7 keer zo groot kan worden?’ Gegeneerde lachjes en ‘Nee dat denk ik niet.’ ‘Jawel hoor’, zeg ik dan, ‘en het begint met een P.’ Na nog wat geginnegap – ‘Nee, jij hebt dat niet Jaap!’ – geef ik het antwoord: ‘Je pupil.’ Daarna kunnen de goede gesprekken beginnen.

Ik heb zelden ergens met zoveel plezier gewerkt en met zoveel bevlogenheid getraind. Het was de op één na leukste baan van mijn leven. De leukste heb ik nu, want met trainers heb ik nog meer klik dan met de adviseurs van destijds. Maar het scheelt niet veel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *