Faaldurf

Tvoo, december 2012

Je kunt tegenwoordig workshops volgen om Faalplezier te krijgen. Daar leer je niet gebukt te gaan onder faalangst en te genieten van falen. Want, zegt de tekst: “Er is winst te behalen met falen!”

Dat is waar. Epke Zonderland heeft deze zomer de Olympische Spelen gewonnen met een fantastische turnoefening en in elke krant kon je lezen hoe hij vier jaar geleden van de rekstok viel tijdens diezelfde spelen. Toen gefaald, nu succes. Toen mislukt, nu een oefening waarvan iedereen steil achterover slaat.

Dus ja, Epke heeft winst behaald met zijn falen. Maar vond hij het ook leuk? Stond hij vier jaar geleden te juichen: “Ja, ik heb gefaald! Nu kan ik gaan leren en over vier jaar de Olympische Spelen winnen!” Ik geloof er niks van. Achteraf kan falen leerzaam en zinvol zijn: tegenslag overwonnen, draak verslagen! Maar als je er middenin zit, is er niets aan!

De meeste trainers zijn niet zo goed in falen. We vinden het geweldig als onze deelnemers fouten maken, want dan kunnen we hen wat leren. Maar als we zelf voor de groep staan, willen we het vooral Goed Doen. En wanneer het Niet Goed gaat, trekken we ons dat aan. Die ene vijf op het evaluatieformulier staat op ons netvlies gebrand. Dat stroperige dagdeel houdt ons ‘s nachts wakker. En de deelnemer die aan het eind van de dag meldt dat er wel wat meer diepgang in had kunnen zitten, wekt onze woede en schaamte.

Dat is allesbehalve faalplezier, dat doet gewoon pijn. Is dat nou idioot? Moeten we massaal in therapie om te leren hoe we plezier kunnen krijgen in falen? Nee dus. Uit onderzoek blijkt dat onze hersenen niet anders kunnen. We kunnen namelijk niet tegen cognitieve dissonantie: het besef dat we een fout maken, botst met ons zelfbeeld. We zien onszelf graag als een redelijk en behoorlijk capabel mens. Een fout past niet in dat plaatje en dus gaan onze hersens automatisch aan de slag om die dissonantie op te heffen. Dat doen we het liefst door te ontkennen dat we iets fout hebben gedaan. Maar als dat niet lukt, bijvoorbeeld omdat we de fout niet kunnen goedpraten, is zelfbeschuldiging een goed alternatief: “Ik heb een fout gemaakt. Zie je wel, ik kan het ook niet/heb alles fout gedaan/ben door de mand gevallen.” Omdat die zelfbeschuldiging zo pijnlijk is, schieten onze gedachtes nogal eens heen en weer tussen zelfbeschuldiging en zelfrechtvaardiging: dat veroorzaakt die eindeloze dialoog in je hoofd over waar de schuld nu ligt.

Dus faalplezier: nee, falen is rot. Maar uiteindelijk is falen wel dé manier om verder te komen. Je leert veel meer wanneer je je mislukkingen analyseert dan wanneer je je successen koestert. Je komt verder als je je fouten onder ogen durft te zien – en niet alleen ‘s nachts, wanneer je overmand wordt door de piekergedachtes, maar overdag in het klare daglicht, liefst in gesprek met een collega. Dat vereist durf. Durf om onder ogen te zien wat je niet goed gedaan hebt; durf om opnieuw te proberen met het risico dat je wéér faalt; durf om de pijn aan te gaan die bij falen hoort.

Dus ja, er is winst te behalen met falen. Maar laten we het alsjeblieft niet leuk hoeven te vinden. Laten we onszelf toestaan dat het pijn doet en het toch moedig aangaan. Faaldurf.

Wil je meer weten over de faaldurf van Epke? Bekijk dan de documentaire hieronder die in 2010 over hem werd gemaakt.

Get Microsoft SilverlightBekijk de video in andere formaten.

Reacties zijn gesloten.