Goede kapper

Tvoo, september 2012

Als trainer kan ik niet zonder de input van mijn deelnemers en opdrachtgevers, maar als klant ben ik nogal lui. Ik houd niet van ‘partners’ met wie ik eindeloos moet samenwerken om dingen gedaan te krijgen. Doe mij maar vaklui die mij werk uit handen nemen. Voor ons nieuwe huis heb ik bijvoorbeeld twee binnenhuisarchitecten gevraagd om een keuken te ontwerpen. En voor mijn website heb ik twee videoproducenten gezocht om filmpjes te maken. In beide gevallen waren de resultaten prachtig. En dat allemaal dankzij vakmensen die hun deskundigheid op mij konden botvieren – heerlijk!

Nu zocht ik in mijn nieuwe woonplaats nog een Goede Kapper. Kale en onverschillige mannen kunnen nu stoppen met lezen, maar alle anderen zullen snappen hoe belangrijk dat is. Zeker in mijn geval, waar ik mijn hoofd maar zo zo, la la vind, en ook op de rest best wat af te dingen is. Maar mijn haar, daarmee ben ik echt blij: mooie kleur, beetje slag en het zit eigenlijk vanzelf goed. Mits goed geknipt – en dus moest er een Goede Kapper komen.

Na twee jaar nieuwe woonplaats en drie vergeefse pogingen wordt mij dé kapper van de stad aangeraden. Eerst door één persoon, maar als ik die naam elders laat vallen, zeggen alle anderen: “Ja die, die is echt heel goed!” Dus ga ik naar de Goede Kapper. Voordat ze m’n haar wast, neemt ze me eerst uitgebreid op – een goed teken. Dan zegt ze op lage toon: “Ik zie een pony!” Ik schrik me dood, want ik heb al geen pony meer gehad sinds mijn twaalfde. Maar de nood is hoog en het vertrouwen groeit. Dus ga ik akkoord en denk: als het niks wordt, groeit het wel weer aan. Het resultaat is fantastisch: dikke pony, kort vanachter, hippe plukken aan de zijkant. Net zo’n ‘voor-en-nametamorfose’ uit de tijdschriften! En zo anders dat ik van iedereen complimenten krijg en elke keer blij schrik van m’n spiegelbeeld.

Helaas is ook m’n Geweldige Kapsel niet voor de eeuwigheid. Zeven weken na Pony-dag is de vorm eruit, terwijl ik diezelfde vrijdag een workshop heb met zeventig mensen. Dus ga ik terug naar Goede Kapper: “Doe mij maar hetzelfde als de vorige keer!” Ik verheug me nu al op het eindresultaat en ben zo vol vertrouwen dat ik nauwelijks in de spiegel kijk. Ik registreer nog wel dat ze de uitdunschaar gebruikt: “Goh, dat deed ze de vorige keer niet?!” Maar tsja, vakvrouw hè, ze weet wat ze doet. Eén  keer succes en je zit bij mij in het goede vakje: ik het haar, jij de knipkunst – goede taakverdeling.

Veertig minuten  en allerlei ingrepen later is ze klaar. Mijn haar ligt als een plat kapje op mijn hoofd met twee plukken aan de zijkant  – rare plukken dit keer, geen hippe. Goede Kapper zegt triomfantelijk: “Fijn hè, nu kun je je gezicht weer zien!” Ik  ben overdonderd en denk: “Mijn gezicht? Ik wil niet dat mensen mijn gezicht zien. Ik wil dat ze mijn haar zien!”  Maar ik zeg niks en ga verdwaasd naar huis. Ben ik nou gek? Nee, dat ben ik niet. Een collega die ik die vrijdag ontmoet, reageert verbaasd: “Goh, je haar is kort zeg!” Zonder het verplichte ‘leuk’ erachteraan. Dochterlief meldt: “Het is inderdaad lelijk, maar het gaat om het innerlijk.” Die waarheid draag ik met me mee, terwijl ik alle spiegels vermijd.

Twee maanden later is mijn haar weer aangegroeid. Ik ga terug naar mijn vertrouwde Goed Genoeg Kapper en laat me knippen door de baas. Ik overleg uitgebreid over wat ik wil. Het resultaat is prima: ik krijg geen complimenten, maar ik hoef me ook niet te schamen. En ik denk terug aan Goede Kapper. Misschien ga ik daar nog wel eens langs. Maar dan kijk ik tijdens de knipbeurt wel iets vaker in de spiegel.

Reacties zijn gesloten.